Vooroordelen

We lopen van Groningen naar Zuidlaren. Landschap en weer zijn schitterend. Maar waarom ben ik dan zo geïrriteerd? Misschien door het stoppen met roken. Bij iedere pauze voel ik een hunkering door mijn schone longen gaan. Of is het toch m’n moeder?

Het dure Nieuw Zeelandse wandelrugzakje dat ze van me leent, dat zit voor geen meter, zegt ze. Haar goedkope rugzak van de vorige maand zat eigenlijk nog beter. En die ademende Goretex-jas, die ze mag lenen van mijn nieuwe geliefde, waarom wordt daar nou zo’n ophef over gemaakt? Hij is nu al helemaal klam van binnen. Dat had haar regenjekkie van twintig euro ook! Wel lief hoor, dat ze hem mag lenen van mijn vriendin. Maar waarom heb ik haar nog niet voorgesteld? En gaat het goed met mijn ex? Zie ik de kinderen  vaak?

We wandelen pas een uur als ze zich verstapt, terwijl we een koeienrooster oversteken. Ze valt tegen me aan en ik weet haar net op te vangen. ‘Hè’ zucht ze geërgerd, ‘bijna mijn enkel verzwikt…’ Ik herken de bitse toon van vroeger. Ze moest ook veel te vroeg op, klaagt ze.  We lopen verder en ze kijkt stuurs voor zich uit. ‘Let je wel op waar je loopt’ zeg ik. ‘Nou ligt het zeker aan mij’, snibt ze terug. We kibbelen, net als vroeger. O jee, denk ik, hoe moet ik dit nog 400 kilometer volhouden?

Ik ga bij mezelf te rade en denk: ze is ver in de zeventig, wees lief voor haar, geduldig. Op een dag draait de rol van ouder en kind om… Vol goede moed loop ik verder, behoorlijk tevreden over mijn nieuwe inzicht. ‘Zullen we even uitrusten’ vraag ik na klein uur wandelen. ‘Hoezo’, kaatst ze terug, ‘ben je al moe?’

Ze stopt bij een struik. ‘Kom eens kijken. Dit heet springbalsemien.’ Ze raakt een bloemknopje aan en met een plofje springen een paar meeldraden tevoorschijn. Even verderop toont ze een paars bloemetje. ‘Kijk, dit heet een kardinaalsmuts. Als je goed kijkt zie je dat het daar echt op lijkt; zo’n katholiek paars mutsje.’ Enthousiast loopt ze verder. We komen langs hooibalen, vacuüm gezogen in lichtblauw plastic. ‘Het zijn net pampers’ zegt ze vrolijk.

Als we op de grens van Groningen en Drenthe door een bos lopen duwt ze een kastanje in mijn hand. ‘Stop die maar in je zak. Helpt tegen reuma.’

Ik heb helemaal geen reuma. En waar haalt ze al deze informatie vandaan? Waarom weet ik dat soort dingen eigenlijk niet?

Ik neem me voor van haar te leren. En mijn vooroordelen -over jong en oud, moeder en zoon- te laten varen. Het lijkt erop dat we elkaar gewoon weer helemaal opnieuw tegenkomen, op dit Pieterpadavontuur.

Het lijkt nu zelfs alsof ze sneller loopt dan ik. Opeens zie ik haar bukken, ze wijst naar de grond. ‘Een stinkzwam.’ deelt ze mee. ‘Lijkt net een penis hè?’ Ze kijkt me lachend aan. Ik knik van ja – en verslik me bijna in mijn mueslireepje.

 

2 thoughts on “Pieterpad: 2

Comments are closed.