bj-5989
Pieterpad 12, bij Hoch Elten

‘Een mens lijdt het meest aan het lijden dat hij vreest.’ Dat is een van de spreekwoorden uit het rijke arsenaal van mijn moeder. En spreekwoorden komen zeker van pas deze wandeldagen. Net als thermosflessen thee, dubbele sokken, wollen mutsen; en vertrouwen. We lopen negentien kilometer, van Doetinchem naar Hoch-Elten. Daar slapen we, om de volgende dag door te lopen naar Millingen aan de Rijn. Maar het is hartje winter, we komen door niets dan bos, we moeten een berg op én een stukje de grens over, door Duitsland.

Donker

‘Gaat dat wel, met al die kou?’ vroeg mijn moeder al aan de telefoon. ‘Het gaat zelfs overdag vriezen.’ Ik beloof haar per auto in Limburg op te halen, zodat haar lange reis met trein en bus niet nodig is. ‘Goed geslapen?’ vraag ik ’s ochtends. ‘Nou, niet echt’ klinkt het ‘maar het geeft niks.’ Mijn moeder ziet er moe uit en ik vraag me af of we wel moeten vertrekken.

Bij Doetinchem heeft de winter onverbiddelijk toegeslagen. De wissels bij een spoorwegovergang zitten vastgevroren, de spoorbomen blijven rinkelend dicht. Een politieman met rood hoofd houdt een slagboom omhoog, om auto’s door te laten. Als we eindelijk hebben geparkeerd, liggen we al twee uur achter op schema. In mijn hoofd hoor ik de stem van de mevrouw van ons logeeradres. ‘Zorg dat je voor half vijf het bos uit bent, want in het donker zie je daar echt niks.’

Wolven

‘Er schijnen hier ook wolven te zijn’ beweert mijn moeder met kouwelijk gezicht. Of zien we beren op de weg? We lopen omhoog, door een akelig stil woud, richting Hoch-Elten in Duitsland. We zwoegen, stapje voor stapje, een stijl pad tegen de Elterberg op. Halverwege stopt mijn moeder. Ze strekt haar benen, leunt tegen een boom, haar hoofd naar beneden gezakt. Eenmaal boven drinken we thee, op een boomstam. Maar het is te koud om echt uit te rusten. We lopen verder, tot mijn moeder vlak voor een eenzame boswoning opeens halt houdt.

‘Ga jij maar voor, hij loopt los.’ Een eindje voor ons staat een fikse herdershond. Dreigend staat hij midden op het wandelpad. In een flits zie ik een beeld van vroeger: het beest hangt aan mijn broek, terwijl ik hem angstig van me afsla. Maar dan denk ik aan mijn moeders spreekwoord, over lijden en vrezen. Ik verman me en roep het dier: ‘kom maar!’ De hond pakt een stok en springt vrolijk heen en weer: hij wil spelen. ‘Een speelse beer op de weg’ lachen we. Als we verder lopen breekt de zon opeens door de witte hemel. Boven de boomtoppen zien we de toren van de Stiftskerk, hoog op de Elterberg. Ons doel is weer in zicht: we wandelen met vertrouwen door het leven.