bas-P1010157‘Ik kan niet harder’ verzucht mijn moeder, tijdens weer een zware etappe: twintig kilometer van Millingen aan de Rijn naar Groesbeek. Ik heb haar net erop gewezen dat we voortsukkelen. Maar het is koud, guur en het wandelpad stijgt en daalt, over de zandruggen van de Duffelt. Eén gedachte drijft ons voort: het pannenkoekenrestaurant, precies halverwege de route. Die ligt weliswaar bovenop de Duivelsberg –lange steile klim! waarschuwt ons wandelboekje- maar een pannenkoek met spek en kaas krijgt ons iedere berg op.

Hartkloppingen

Hoewel? Mijn moeder staat weer stil, haar ogen liggen diep. ‘Laat mij maar even voorop lopen’ klinkt het zwakjes, ‘ik loop zo achter je te zwoegen.’ In de bossen rond het Wylermeer glibberen we over boomwortels, door diep uitgesleten paden. ‘Straks pannenkoeken!’ beur ik mijn moeder op. ‘Pas bovenop die berg’ antwoordt ze. We passeren het bordje ‘Duivelsbergroute’ en we beginnen aan de klim. Hijgend vertelt mijn moeder over haar hartkloppingen van de vorige nachten. Dat heeft ze wel vaker, als ze zich te druk heeft gemaakt. Zoveel bezoek, rond haar zevenenzeventigste verjaardag. Ook volgt een opsomming van alle andere sociale verplichtingen waar ze aan moest voldoen. ‘Spaar je adem nou maar, voor het klimmen’ zeg ik.

Dan blijf ik een beetje achter, om een foto te maken. Halverwege de klim wacht ze. Ze lijkt me iets te willen zeggen en ik loop gauw omhoog. Dan zie ik dat ze lacht. ‘Kijk, dit heb ik nou nodig.’ Uit een omgekapte boomstam is een stoeltje gehakt, met de inscriptie: Rust wat. ‘Maar’ zegt mijn moeder wat mismoedig ‘wij moeten zeker door..’ We  nog een stukje en bereiken dan de top van de Duivelsberg. Tussen de bomen zien we een wit gebouw: het Pannenkoekenrestaurant! ‘Kijk’ zeg ik blij, ‘er staat al een mevrouw naar ons te zwaaien.’

Gesloten

Dichterbij gekomen zien we dat het een schoonmaakster is, die de ramen lapt. De deur staat wel open, maar voor we in de hal zijn staat de poetsvrouw al voor ons. ‘Gesloten!’ zegt ze ferm. ‘Maar we hadden ons zo verheugd op een pannenkoek!’ zeg mijn moeder vanuit de grond van haar hart. ‘Gaat niet!’ antwoordt de poetsvrouw. Dan sluit ze onverbiddelijk de deur. We druipen af en eten onze boterhammetjes buiten, in een flauw winterzonnetje. ‘Het is de laatste keer, dat we in de winter lopen’ monter ik mijn moeder op, ‘volgende maand begint de lente!’ We zijn het hartgrondig met elkaar eens: dat is een veel beter seizoen om het Pieterpad te lopen.

_BAS5953