Het land van mijn jeugd, daardoor loopt het Pieterpad vandaag. Het eerste stuk loop ik alleen. Mijn moeder voegt zich later bij me, want de hele etappe van Venlo naar Roermond, 31 kilometer, is een beetje teveel van het goede. Het stuk dat ze nu mist heeft ze al ‘voorgelopen’ met mijn zus: ‘Want we doen het wel helemaal eerlijk’

Loslaten

In hun voetstappen loop ik door niets dan jeugdsentiment. Vanuit het station van Venlo rechts, richting de Vier Paardjes. Links zie ik het jeugdhonk waar ik voor het eerst een meisje zoende – ik tolde rond mijn eigen as. Dan langs de Onderste Molen, waar we vroeger gingen zwemmen – kroos en modder tussen mijn tenen.

Even verderop ligt de Jammerdaalsche Heide. Een van de grote jongens uit de buurt nam me eens mee naar het ven dat onder aan een steile boshelling ligt. Halverwege de helling stond een schuine boom, waar een dik touw aan hing. De jongen klom in de boom, greep het touw en slingerde met een grote boog tot boven het meertje. Toen liet hij los. Zijn val duurde eeuwig.

‘Nu jij!’ riep hij lachend vanuit het water. Daar ging ik: de angstkriebels in mijn buik voel ik bijna weer. Loslaten, is dat niet nog steeds even moeilijk? Ik loop verder en kom langs een beeld van Jezus. Hij hangt levenshoog aan zijn kruis, zomaar langs een bospaadje. Helemaal alleen hangt hij daar, zijn blik naar beneden. Als katholiek jongetje vond ik hem altijd een beetje eng, die stille mysterieuze man aan zijn kruis.

Verstild

Nu sta ik er weer, met een half leven achter me. De wereld rondgereisd, hoog gevlogen, weer terug op aarde. Ik voel me vandaag net zo verstild als het Jezusbeeld. Wandelen is de reis naar binnen, is een zin die me te binnen schiet. Waar las ik die ook alweer? Ik loop verder en geniet van het wandelen, van de stilte om me heen. In Tegelen kom ik uit bij het pleintje waar we hebben afgesproken. Ik wacht op een bankje, tot mijn moeder en mijn zus onder aan de heuvelweg verschijnen. We zijn blij elkaar te zien.

Met z’n drieën lopen we verder. Ik vertel over de zin die in me op kwam: wandelen is de reis naar binnen. Mijn zus kijkt me welgemeend, maar niet bovenmatig geïnteresseerd aan. Gezellig kletsend loopt ze met mijn moeder voor me uit. Ik loop achteraan, heb vandaag genoeg aan mijn eigen gedachten. Na een lange wandeldag komen we bij de oude brug over het riviertje de Swalm. Daar staat het stenen beeld van ene Johannes van Nepomuk. In de wandelgids staat dat deze heilige met zijn vinger voor zijn mond tot stilte maant. Dat is hem gelukt, wat mij betreft._BAS6776lo