Na een reis naar Zwitserland rij ik de grens bij Basel over. Naar Baarlo, waar mijn moeder woont, is het nog zo’n zeshonderd kilometer. In de zon drink ik koffie, raampje omlaag. Als ik straks daar ben lopen we de allerlaatste Pieterpadetappe, naar het eindpunt op de Sint Pietersberg. Ik denk erover na met een mengeling van tevredenheid en weemoed.

Opeens rinkelt mijn telefoon. Het is mijn zusje: ‘Waar ben je? Mama is net in het ziekenhuis opgenomen. Het ziet er niet goed uit.’

Pyjama

Ik trap het gaspedaal in en rij in één ruk naar het ziekenhuis van Venlo. Onderweg klinken de woorden van mijn zus in mijn hoofd. Moesje ligt aan het infuus, heeft hoge koorts, een ontsteking in de buik. Ze maken haar klaar voor operatie. Opeens zie ik mijn vader voor me, vijf jaar geleden. Toen zag ik hem voor het laatst in leven. In het ziekenhuis, zomaar zonder zijn donkerblauwe driedelige krijtstreep pak. Ik had hem nooit in wat anders gezien, dan in zijn krijtstreeppak.

Nu lag hij in een pyjama, net als gewone mensen. Hij had een stoma gekregen. Dat was geen leven, vond hij: ‘Zo ben ik geen man meer.’ Ik zei hem dat ik zou zorgen voor een donkerblauw stomazakje, met krijtstreep. Hij wilde hard lachen, maar de pijn in zijn schuddende buik liet de tranen in zijn ogen springen. Het was het laatste wat ik van hem zag.

Zuster

God, laat haar nog even leven, denk ik, terwijl ik over de Duitse Autobahn rijd. Laat haar nog mijn huis in Friesland zien, mijn nieuwe leven met mijn kinderen. De wind van mijn open autoraam blaast mijn ogen droog. Voor ik het weet draai ik de parkeerplaats op van het ziekenhuis.

Ik ben te vroeg voor het bezoekuur. In de gangen ruikt het zurig, naar medicijnen en naar ziekenhuis. Een vriendelijke zuster zegt dat ik toch verder mag: vijfde kamer links. Daar ligt mijn moeder. Ze kijkt verheugd als ze me ziet. ‘Je ziet er veel te gezond uit’ zeg ik. ‘Zo voel ik me ook’ antwoordt ze.

Straks moet ze een scan. Misschien blindedarmontsteking, dan valt het mee. Als ik haar zo zie, kan het nooit zo erg zijn als ik dacht. Eigenlijk ligt ze er stralend bij. ‘Ik heb het net ook tegen de zuster gezegd,’ deelt mijn moeder mee, ‘dat ik nog helemaal niet ziek kan zijn. Ik heb het Pieterpad nog niet af!’ Dat gaat lukken, spreken we af. Al moet ik haar dragen, die Pietersberg op.

Pieterpad_IMG_0083